Column: undercover

Vorige

Basisteam Meierij overladen met complimenten

Volgende

Samenwerkingsverband Politiesenioren SPS

Terwijl ik vanachter een verse kop cappuccino in gedachten verzonken toekijk hoe buiten de eerste sneeuw naar beneden dwarrelt, wordt de stilte verscheurd door een binnenkomend bericht op mijn diensttelefoon. Onwillekeurig schiet het adrenalinepeil even omhoog en ikzelf in de actiehouding. Het gaat echter niet om een noodoproep, maar om een nieuwjaarswens per WhatsApp. Nu het feit dat ik uitgebrand thuis zit verspreid raakt binnen het korps, ontvang ik steeds vaker berichten van collega’s via de smartphone waarmee iedere politieman inmiddels is uitgerust.

Door: Jack Druppers

Deze is van Dick. ‘Hoop dat alles een beetje ok is, en een goed 2017’ staat er. Dick is een man van wei-nig woorden. In de beginjaren van dit millennium was hij net als ik buurtregisseur in Amsterdam. Zes jaar lang heb ik met hem gelachen, gehuild en keihard gewerkt op Bureau Raampoort. Buurtregisseurs genoten in die tijd veel vertrouwen maar vooral ook vrijheid om zelfstandig oplossingen te bedenken voor de problemen in de wijken. Het was inmiddels ook tot de politiek doorgedrongen dat de grootstedelijke realiteit niet alleen uit gezellige terrasjes bestaat en als buurtregisseurs mochten wij onorthodoxe werk¬wijzen ontwikkelen om de zaak op straatniveau leefbaar te houden.

“Dick was echter voor niemand bang”

Dick was, en is dat waarschijnlijk nog steeds, de belichaming van die ‘out of the box’ aanpak, en omdat dit ook voor mij geldt, klikte het erg goed met hem. Toegegeven, we waren soms eigengereid en impulsief, wellicht ook wel belast met een vleugje adhd, recalcitrantie en zelfoverschatting, maar we waren nu eenmaal jong en toch zeker in de eerste plaats agenten die het beste voorhadden met de buurt waarover we waakten.

Bij Dick en mij kwam regelmatig voor dat een duo-surveillance eindigde in een solo-surveillance. Dan zag de een onderweg iets en stapte daar direct op af, zonder de ander iets te zeggen. Zo gebeurde het ook op die zomerdag in de Jordaan. Terwijl we samen door Dicks wijk liepen, maakte ik van de dromerige atmosfeer gebruik om uitvoerig te vertellen over het een of ander. Plots bemerkte ik dat ik in het luchtledige liep te praten. Dick stond zo’n honderd meter terug met een meetlint een groot etalageraam op te meten van een coffeeshop die vaak overlast gaf. Ik zie de eigenaar, een buitengewoon intimiderende persoon, nog briesend naar buiten komen. ‘Dick, verdomme, wat ben je nu weer aan het doen, man?’ riep de enorme spierbundel. Dick was echter voor niemand bang. Glimlachend zei hij tegen de stomende uitbater: ‘Ik ben alvast de maten van de houten gordijnen voor je winkeltje aan het opmeten. Want als jij je niet kan gedragen naar je buren, zal ik dit stinkhol persoonlijk dichttimmeren.’

Hij meende dit letterlijk. Wettelijke kaders waren er destijds nog nauwelijks om uitwassen van drugsverkoop tegen te gaan. Wij waren erg betrokken bij onze wijken en konden het niet aanzien dat goedwillende bewoners weerloos waren tegen ondraaglijke overlast. Ging het niet via een wet of verordening, dan moesten we zelf een oplossing vinden. En op straat word je heel creatief, kan ik u verzekeren.

Met Dick heb ik ook diverse ruige avonturen beleefd als we undercover gingen. Ik was nogal dol op undercoveroperaties. Toen ik jong was en erover begon te denken bij de politie te gaan werken – zo’n dertig jaar geleden – was de destijds populaire televisieserie Hillstreet Blues een inspiratiebron voor mij. Mijn favoriete karakter in die serie over een Amerikaans politiebureau was Belker, de undercoveragent. Hij was nogal onaangepast en altijd in de weer met pruiken, petten, brillen en kleding om zoveel mogelijk bad guys van straat te kunnen plukken. Prachtig vond ik dat. Als kind oefende de verkleedkist op school al een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit en liep ik regelmatig verkleed als Swiebertje, Floris of Kluk-kluk door de gangen in plaats van de tafel van twaalf uit mijn hoofd te leren.

“Geen rol was te gek om te ontdekken waar de wortels van het kwaad lagen”

Als buurtregisseur in hartje Jordaan kwamen die liefde voor verkleedpartijen en acteren mij goed van pas in de strijd tegen de criminaliteit. Schuimden in mijn buurt woninginbraken, drugsoverlast, autokraken, zakkenrollerijen, straatroven, intimiderende jeugdgroepen of winkeldiefstallen weer eens over de rand, dan had ik een verkleed-set paraat. Geen rol was te gek om te ontdekken waar de wortels van het kwaad lagen. Zo liep ik dan als junk, zwerver, dronkaard, toerist of travestiet door de wijk, en Dick deed regelmatig vol overgave met mij mee. En undercover betekende echt een totale metamorfose: smerige nagels, ordeloze haren, een ernstig verwaarloosd gebit, een ongeschoren bakkes en dat geheel verpakt in vieze oude lompen die werd overgoten met een goedkoop distillaat, zodat wij al van ver stonken naar het inwendig gebruik van alcoholische drank, zoals dat zo mooi in Artikel 8 van de Wegenverkeerswet staat geformuleerd.

Wanneer we dan zo uitgedost de straat opgingen, konden we uit reacties van mede-zwervers, collega-junks en oppassende burgers opmaken dat onze vermommingen overtuigend waren. Dat leidde soms tot hachelijke situaties. Toen wij eens op een gure herfstavond in 2005 een plek hadden uitgezocht op een warmte-rooster van een herenhuis aan de Keizersgracht, teneinde greep te krijgen op een belendend drugspand, liep dat bijna fout af. Nog maar net hadden wij ons geïnstalleerd op deze ideale plek – warm, verscholen en met een uitstekend zicht op het drugspand – of er stormde ineens een enorme kerel op ons af met een niet minder enorme tafelpoot in zijn hand. Zijn bedoeling was duidelijk niet verbroedering aan de zelfkant van de samenleving. ‘Opgesodemieterd!’ schreeuwde de woesteling, ‘Dit is mijn plek!’

Het was Iwan, een ons ambtshalve bekende verwarde en bovenal gewelddadige dakloze. Nog voordat wij iets vredelievends hadden kunnen zeggen, haalde Iwan verwoestend uit met de tafelpoot en Dickie kon het versplinterend hardhout maar ternauwernood ontwijken. Wij moesten vol aan bak om deze hulk onder controle te krijgen. Toen we hem eindelijk met veel moeite hadden geboeid, was er van onze undercoveroperatie weinig meer over. Onze vermommingen lagen ordeloos verspreid over de Keizersgracht en mijn favoriete pruik, die op het bureau liefkozend ‘Jacks’ marmotje’ werd genoemd, dreef in het ijskoude water.

Het duurde echter niet lang voordat ik een nieuwe pruik kon inwijden. Toen een parkeerterreintje in mijn wijk te maken kreeg met een golf autokraken begaf ik me gehuld in verse haardos en bijpassende lompen richting plaats delict. Het was een zomeravond en het terras van het eetcafé ’t Blaauwhooft in de buurt zat tjokvol met een mengeling van authentieke Amsterdammers, oud-krakers, yuppen, kunstenaars, muzikanten, woonbootbewoners en studenten. De meeste mensen daar kenden mij goed als hun buurtregisseur. Ik besloot mijn vermomming de ultieme test te geven. Over het volle terras schuifelde ik naar Jan, een lokale dichter waarmee ik vaak een bakkie deed. ‘Meneer, hep u misschien een eurootje over?’ zei ik met een verdraaide stem. Toen hij deed of hij mij niet hoorde, trok ik aan zijn jasje en herhaalde mijn vraag. ‘Sodemieter op viezerd, blijf met je gore poten van me af’, siste hij.

Kroegbaas Frank was inmiddels toegesneld. ‘Meneer, wilt u het terras verlaten? U mag hier niet bedelen,’ zei hij. ‘Anders bel ik de wijkagent.’ Ik grijnsde mijn tandeloze undercovergrijns en riep. ‘Bel maar! Ik blijf hier toch staan.’ De kroegbaas pakte zijn telefoon terwijl het hele terras vol spanning toekeek. Nadat de kroegbaas het nummer had ingetoetst, begon de diensttelefoon in mijn binnenzak te rinkelen. Ik haalde het ding tevoorschijn en nam op: ’Goedenavond, met buurtregisseur Jack Druppers’. Even waren de kroegbaas, de dichter en het ademloos toekijkende terras in complete verwarring, maar toen het kwartje viel, barstte iedereen in lachen uit. Het werd een avond waarover nog lang gesproken zou worden. Zeker ook omdat ik de dienst afsloot met de gewenste aanhouding van de hardnekkige autokraker.

Met zijn nieuwjaarswens stuurt van Dick ook een foto waarop wij beiden te zien zijn in onze undercover-outfit. Na een succesvolle operatie waren we ‘opgesloten’ in een politiecel aan de Raampoort. Een collega had toen een foto genomen van ons achter de tralies. Wat zagen we er geloofwaardig uit als volkomen verlopen typen! Met een glimlach kijk ik naar het plaatje. ‘Denk aan die gouwe tijd. Hou je taai, pik,’ bericht Dick over de diensttelefoon. ‘Geweldig bedankt.’ app ik terug. ‘Wat hebben we toch een mooie baan.’

=============================================

Jack Druppers (1962) is politieman in Amsterdam. Hij werkt al ruim 25 jaar bij de politie, de laatste jaren als wijkagent in Amsterdam-Oost. Voor zijn project Politiekids ontving hij een landelijke award voor beste buurtproject en werd hij genomineerd voor de Hein Roethofprijs. Druppers schrijft in zijn vrije tijd persoonlijke verhalen over zijn werk als politieman. Hij publiceerde onder andere in het politievakblad Blauw, in literair tijdschrift Hollands Maandblad en sinds twee jaar ook voor WEP. Het bovenstaande verhaal verscheen onlangs in het Hollands Maandblad.